Viking feiten

Hoe bouwden de vikingen een vikingschip

De vikingen hadden uiteraard niet de moderne gereedschappen en materialen die ons heden ten dage ter beschikking staan.  Hoe bouwden de vikingen dan eigenlijk hun schepen?
Het langsspant Als eerste werd het langspant ( de scheg ) van het schip gemaakt.  Deze werd bij voorkeur, net als de andere onderdelen, gemaakt van eikenhout.  Dit is zeer stevig en ook relatief goed bestand tegen zout water.  Het langspant werd vervolgens op zijn kop neergezet.  Het schip werd dus eerst ondersteboven gebouwd.  Dit is ook de reden dat de voor- en achtersteven van de meeste vikingschepen, maar een hoek van 90 graden hebben, anders werd het veel moeilijker om het schip te bouwen.  Een andere reden waarom dit gebeurde was overigens dat gedurende de wintermaanden de schepen onderste boven werden opgeslagen zodat er geen regen of sneeuw in kon komen.  Door het uitzetten van het water zou bij vorst het schip uit elkaar geperst worden.
Een uitzondering hierop is het Osebergschip, welke door de meeste vikingliefhebbers dan ook als het mooiste vikingschip wordt beschouwd.
De mallen Aan het langspant werden nu eerst enkele provisorische mallen geplaatst.  Dit om de vorm van het schip enigszins te bepalen.  Deze mallen zullen later weer worden verwijderd en vervangen door de eigenlijke dwarsspanten.
De eerste plank van de huid Vervolgens ging men beginnen met het plaatsen van de huid.  Eerst kapte men bomen en ontdeed deze van hun bast.  Vervolgens maakte men er huidplanken van, van ongeveer 1,5 à 2 centimeter dikte.  Dit deed men niet doorte zagen, maar door de boom te splijten.  Hierdoor "brak" de boom op zijn natuurlijke nerven en behield hierdoor veel beter zijn natuurlijke stevigheid en flexibiliteit.  Beiden zijn van essentieel belang voor een vikingschip.  Deze huidplanken werden vervolgens aan het schip bevestigd, te beginnen met de eerste aan het langspant te bevestigen.
De huid Voor het bevestingen van de huidplanken gebruikte men in het begin houten wiggen, later ging men soms ook over op ijzeren nagels.  Tussen de huidplanken deed men berkenbast.  Als dit nat wordt, dan zet de bast uit en hierdoor werd de boot goed waterdicht.  Zo ging men door, tot de hele huid aangebracht was.  Elke huidlaag werd netjes bevestigd aan de vorige huidlaag ( niet aan de mallen ).  Telkens iets overlappend over de vorige laag om hem goed waterdicht te maken en om hem de zo belangrijke flexibiliteit en sterkte te geven.
Omdat men de bomen gespleten had, waren niet alle huidplanken even dik.  Ook hadden sommige planken knoesten en andere verdikkingen in zich.  Deze werden er nu eerst afgedisseld.  Hierdoor ontstond een mooi gestroomlijnd schip. De huid was nu klaar en de mallen konden worden verwijderd.  Het schip was klaar om rechtop gezet te worden.  Daar het schip geen platte bodem had, maar slechts op zijn paar centimeter dikke scheg stond kon het niet zelfstandig blijven staan.  Hiervoor werden houten palen tegen de zijkant gezet, zodat hij in balans bleef.
Men ging nu opnieuw het bos in, op zoek naar takken die gebruikt konden worden voor de dwarsspanten.  Deze moesten een half ronde vorm hebben en zouden aan de binnenkant van het schip worden geplaatst om de huid op zijn plaats te houden.  Door takken uit te zoeken die van nature al een zo goed mogelijk passende vorm hadden, werd het schip veel steviger.  U ziet het, alles gebeurde in het kader van de flexibiliteit en de stevigheid.  De spanten werden met leren banden in het schip bevestigd.
Het bouwen van een vikingschip
sail Het schip was nu bijna klaar.  Een grote rechte eik werd geveld en afgedisseld tot een mast.  Deze werd in een gat in de scheg bevestigd.  Door middel van touwen, naar zowel de voor-, achtersteven, als beide zijkanten werd deze perfekt op zijn plaats gehouden.  Vaak werden ook nog ornamenten aangebracht op het schip.
Het zeil tenslotte werd gemaakt van wat voorhanden was.  In het begin van het vikingtijdperk was dit vaak wol.  Het nadeel hiervan is echter dat, zeker als het nat wordt het erg zwaar wordt en niet zo stevig is.  Om dit gebrek aan sterkte op te vangen werden vliegervormige leren banden aangebracht over het zeil.  Deze zijn ook vaak op tekeningen te zien.  Later toen men in gebieden waar men handel dreef kennis maakte met katoen en linnen, begon men dat materiaal steeds vaker te gebruiken.
Het schip was nu klaar en kon te water gelaten worden en vertrok op zijn reis als handelsschip of als gevreesd roofschip.

[ laatst gewijzigd :  1-1-2016  ]